De waterval die schepen moest laten varen
Naast de stenen trappen van de Loenense waterval ligt een waterwerk met een onverwachte bestemming. Een koninklijk kanaalplan bracht hier gravers aan het werk. Later ontdekte wandelende dominee Jacobus Craandijk er iets heel anders. Het water bleef, terwijl de mensen nieuwe redenen kregen om ernaartoe te komen.
Liever luisteren?
Luister naar de vertelling, of lees hieronder verder.
Naast de Loenense waterval lopen stenen trappen. Daarmee krijgt een wandelaar iets te zien wat vanaf de bovenkant gemakkelijk verborgen blijft: het hoogteverschil wordt in stappen overwonnen. Het water loopt door een diep ingesneden bedding, tussen beboste hellingen. Hier is een stuk Veluwe ingericht om water een bepaalde kant op te sturen. De mensen die dat nodig hadden, werkten verderop, op schepen.
Hun waterweg begon met een ambitie van koning Willem I. Apeldoorn moest via een kanaal worden verbonden met de IJssel bij Hattem. In 1825 begon de aanleg. De vaarweg kon bedrijven ondersteunen en goederenvervoer mogelijk maken. Daarvoor moest er voortdurend voldoende bevaarbaar water zijn.
De koning gaf de uitvoering aan bouwmeester Hendrik Jan Lijsen. Die was begonnen als meester-timmerman en timmermansbaas en had later toezicht gehouden op domeingebouwen. In 1819 was hij benoemd tot opzichter van de koninklijke paleizen. De kanaalopdracht volgde in 1824. Zijn werkterrein groeide daarmee van gebouwen naar een ongeveer 32 kilometer lange verbinding door het landschap, waar hij ook na de aanleg bij betrokken bleef.
Het noordelijke kanaal opende in 1829. Pas tientallen jaren later werd de verbinding vanuit Apeldoorn doorgetrokken naar Dieren; in 1866 was dat deel voltooid. Daarmee kwam ook deze kant van de Veluwe in het verhaal. Voor Rijkswaterstaat werd de toevoer van water een hardnekkig probleem. Een kanaal dat op papier klaar was, moest in de praktijk nog betrouwbaar functioneren.
De dienst liet extra watertoevoer maken. De Veldhuizerspreng werd tussen 1869 en 1872 gegraven. Toch was er nog niet genoeg water. Tussen 1874 en 1876 werd de waterloop verder naar boven verlengd. Een klein natuurlijk beekje zonder afvoer werd vergroot, verdiept en aangesloten. Zo ontstond de Vrijenbergerspreng. De Bekenstichting beschrijft de aanleg als een opeenvolging van ingrepen: men moest steeds verder zoeken voordat het zuidelijke kanaalpand voldoende voeding kreeg.
Dat zoeken begon onder de grond. Een spreng werd gemaakt door in een helling te graven tot het grondwater werd bereikt. Waar genoeg waterdruk aanwezig was, kon het water uit de uitgegraven sprengkop stromen. Daarna kreeg het een bedding naar de plek waar het nodig was. De bron die je bij zo'n waterloop verwacht, is daardoor ook het resultaat van een zorgvuldig gekozen en uitgegraven opening.
Onderweg moest vervolgens de snelheid worden beheerst. Over het hele stelsel zit ruim vijftien meter hoogteverschil. Water dat te hard naar beneden stroomde, zou zand kunnen meenemen en dat in het kanaal afzetten. Stenen vervallen moesten die vaart temperen. De watervallen horen bij die oplossing. Het trapsgewijze water is dus ook een manier om de vaarweg bruikbaar te houden: iedere stap maakte deel uit van hetzelfde werk.
In zijn boek Nieuwe wandelingen door Nederland uit 1888 bekeek dominee Jacobus Craandijk deze omgeving met andere ogen. De rechte kanaalweg vond hij weinig aantrekkelijk. Hij beschreef de kale vlakte, de stijve oevers en de lange, rechte lijnen. Tegelijk erkende hij dat een kanaal voor scheepvaart andere eisen stelde dan een sierlijke waterpartij op een buitenplaats. Het nut had hier de vorm bepaald.
Bij de Loenense waterval vond hij ruimte voor plezier. Hij waarschuwde zijn lezers tegen verwachtingen die waren gevormd door overweldigende bergstromen in Zwitserland of Noorwegen. Zulke herinneringen moesten het genoegen van deze plek niet bederven. Zijn beschrijving hield de technische herkomst gewoon in beeld: de spreng voerde water naar het Apeldoorns Kanaal. Wat voor de waterbeheerder een voedingswerk was, kon voor de wandelaar een bestemming worden.
Voor de scheepvaart brak intussen een minder gunstige toekomst aan. Het kanaal bracht bedrijven naar Apeldoorn, maar werd geen rendabele doorgaande vaarweg. Verbeteringen kostten tijd en het spoor bood concurrentie. In 1962 sloot het noordelijke deel voor scheepvaart; in 1972 volgde het traject naar Dieren. Daarmee verdween de oorspronkelijke vervoersfunctie waarvoor ook deze watertoevoer zoveel moeite had gekost.
Het aangelegde systeem bleef onderhoud vragen. In 2011 en 2012 liet het waterschap de grote waterval renoveren. In 2021 en 2022 werd langs een deel van de beek beschoeiing aangebracht of vervangen, om te voorkomen dat grond van steile oevers in het water belandde. Het probleem van de aanleggers is daarin nog herkenbaar: water laten bewegen zonder de bedding zelf te laten verdwijnen.
Langs het pad kun je daarom twee soorten werk terugvinden. De diepe geul en de stenen treden bewaren de grote ingreep voor het kanaal. Oeverbescherming en herstel houden die ingreep in stand. De schepen zijn uit dit verhaal vertrokken, maar bij de waterval blijft hun behoefte zichtbaar: voldoende water, op de juiste plek, met een beheersbare snelheid.