Het bos waar de zee op proef kwam
Een haven verplaatsen, een rivier nabouwen en golven laten botsen: in het Waterloopbos werd de wereld hanteerbaar gemaakt. Achter de modellen werkten ingenieurs, timmerlieden en fotografen. Toen het laboratorium sloot, moesten anderen besluiten hoeveel van hun wereld een bos mocht worden.
Liever luisteren?
Luister naar de vertelling, of lees hieronder verder.
Bij het ProefLab ligt een betonnen bouwwerk waarvan grote platen zijn losgezaagd en gekanteld. Deltawerk// ziet eruit alsof een kracht de wanden heeft opengebroken. Dat gebeurde met opzet. Het was ooit de Deltagoot, een proefinstallatie waarin golven tegen constructies werden gestuurd. Aan het begin van de Waterlooproute staat daarmee het grootste spoor van een werkplaats die de zee wilde begrijpen.
Die werkplaats begon met ruimtegebrek. Het Waterloopkundig Laboratorium in Delft onderzocht sinds 1927 waterwerken met schaalmodellen. Na de oorlog werden de plannen groter en groeiden de modellen mee. Directeur Jo Thijsse zocht ruimte buiten de stad. Een jong bos in de Noordoostpolder bood mogelijkheden die een volgebouwd laboratorium niet had.
Hier hielp het landschap bij het werk. De bomen temperden wind die metingen kon verstoren. De keileembodem liet water minder gemakkelijk wegzakken. Door het hoogteverschil tussen oud en nieuw land kon water toestromen. Het bos bezat zo eigenschappen die nodig waren om buiten betrouwbare proeven te doen.
In 1951 begon de bouw van een model voor de afsluiting van de Braakman. Ingenieurs werden vanuit Delft naar De Voorst gedetacheerd. Er waren een kleine werkplaats, een houten woonhuis, een op de kant getrokken woonark en schuilketen. Een timmerman, H. Harsevoort, en grondwerkers hielpen het terrein geschikt maken. De grote waterbouw begon hier met bescheiden huisvesting en handwerk.
Bij het model van IJmuiden wordt duidelijk waarvoor al dat bouwen diende. Na de oorlog werden zeeschepen groter en voldeden de oude havendammen niet meer. In 1956 onderzocht men hier hoe de dammen en havenhoofden moesten worden gevormd. Het ging om de omstandigheden waaronder een groot schip de haven veilig binnen kon varen. De antwoorden werden gezocht in water dat tussen kleinere oevers stroomde.
Fotograaf Albert Loonstra maakte zulke stromingen zichtbaar. Onderzoekers strooiden papiersnippers op het water. Loonstra fotografeerde hun beweging met een lange sluitertijd, vanaf een hoge ladder of fototoren. Zo werden de waterbanen op beeld vastgelegd. Voor een havenontwerp waren niet alleen berekeningen nodig, maar ook iemand die hoog genoeg kon klimmen om het hele model te overzien.
Eb, vloed en golfwerking werden nagebootst om te onderzoeken wat een ingreep met water deed. Het terrein vulde zich met Nederlandse en buitenlandse opdrachten. Havens en kusten die op de wereldkaart ver uit elkaar liggen, kregen hier gedeelde buren, wateraanvoer en werkplaatsen.
Dat internationale werk leverde ook een onverwachte herinnering op. Voor onderzoek naar de toegang van Bangkok werd een groot getijmodel gebouwd. Twee Thaise ingenieurs werkten eraan mee. Tijdens de lange vorstperiode van 1963 leerden zij op hun eigen model schaatsen, vermeldt het jubileumverslag van het laboratorium. Het water dat een verre haven moest voorstellen, veranderde in een Nederlandse ijsvloer.
Toch raakte het buitenlaboratorium zijn vanzelfsprekende toekomst kwijt. Computers namen steeds meer werk over en in 1996 sloot het laboratorium. Er waren bovendien plannen voor bungalows die de historische samenhang van het bos bedreigden. Omwonenden kwamen in actie. Eind 2002 verwierf Natuurmonumenten het terrein. Daarmee bleef ook veel behouden wat inmiddels tussen de begroeiing dreigde te verdwijnen.
Behoud betekende vervolgens opnieuw aan het werk gaan. Een boswachter herinnerde zich hoe hij in 2003 begon tussen verrotte bruggetjes en gevaarlijke waterputten met houten deksels, terwijl bezoekers nieuwsgierig waren naar het afgesloten terrein. Een voormalige werkplaats verander je niet zomaar in een wandelbos. Plekken die voor werknemers vertrouwd waren, moesten veilig en begrijpelijk worden voor een publiek dat de proeven nooit had gezien.
Natuurmonumenten restaureert tien modelplaatsen. Bij de Maasvlaktecentrale werden ook wateraanvoer, kleppen en stuwen hersteld, onderdelen die bij het echte onderzoek hoorden. In de Golfbak kunnen op bijzondere dagen weer enkele golfmachines werken. Daarmee wordt het handwerk opnieuw zichtbaar: de modellen waren geen decorstukken, maar installaties die water moesten laten bewegen en meten wat er gebeurde.
De Deltagoot bleef nog tot 2016 voor proeven in gebruik. Daarna kozen RAAAF en Atelier de Lyon een andere toekomst. Ze lieten de betonnen bak uitgraven en zaagden delen van de wanden los. De gedraaide platen vormen sinds 2018 het kunstwerk Deltawerk//. Mossen en varens mogen er geleidelijk bezit van nemen. De begroeiing die elders de herkenbaarheid van de modellen bedreigde, behoort hier nu tot het kunstwerk.