Jouw Verhalenkaart
Sfeerillustratie uit de JVK-beeldbibliotheek; geen historische opname van deze gebeurtenis.
Sfeerillustratie uit de JVK-beeldbibliotheek; geen historische opname van deze gebeurtenis. JVK-beeldbibliotheek · sfeerillustratie.
Uitgelicht verhaal

Een emmer water die de duinen veranderde

Bij de Oranjekom staan oude en nieuwe pompgebouwen aan hetzelfde water. Achter dit duinlandschap schuilt een onderneming die bijna op geldgebrek strandde, Amsterdammers aan schoon water hielp en vervolgens de watervoorziening van haar eigen buren in gevaar bracht.

Liever luisteren?

Luister naar de vertelling, of lees hieronder verder.

Het verhaal

Bij het startpunt van de Waterwandeling staat een gebouw dat zijn vroegere werk nog laat zien. Bezoekerscentrum De Oranjekom was een pompstation. Binnen staan de grote pompen; door een doorzichtige plaat in de vloer zijn buizen in de kelder te zien. Buiten ligt het water dat hier werd verzameld. De machines horen bij een geschiedenis die veel verder reikt dan dit duin.

In Amsterdam was drinkwater lange tijd iets dat bewoners moesten opvangen, kopen en bewaren. De grachten waren te vuil om uit te drinken. Regenwater en water uit de Vecht boden uitkomst; schuiten brachten dat laatste naar de stad. Ondergrondse verswaterbakken moesten helpen de voorraad op peil te houden. Voor een groeiende bevolking bleef de aanvoer omslachtig en kwetsbaar.

Ingenieur Christiaan Vaillant wilde duinwater door een ondergrondse leiding naar Amsterdam brengen. Schrijver en rijksadvocaat Jacob van Lennep werd voorzitter van het comité dat daarvoor geld bijeen probeerde te krijgen. Het benodigde bedrag liep in de miljoenen guldens. In maart 1851 moesten de initiatiefnemers melden dat het niet gelukt was. Een uitvoerbaar waterplan was nog geen onderneming die investeerders aandurfden.

Via de Engelse ingenieur Bland William Croker kreeg Van Lennep buitenlandse geldschieters geïnteresseerd. Nadat die steun bekend werd, wilden ook vermogende Amsterdammers deelnemen. In juli 1851 werd de Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij opgericht. De familie Van Lennep stelde duingrond beschikbaar voor kanalen, gebouwen en stoommachines.

Op 11 november 1851 verrichtte de jonge kroonprins Willem de eerste spadesteek. Daarna moest het werk gebeuren: een lang kanaal graven, het opwellende duinwater verzamelen en het naar filters en pompen leiden. Via gietijzeren buizen zou het de hoofdstad bereiken. De Oranjekom werd een schakel in die nieuwe verbinding tussen duin en stad.

Langs het Sprenkelkanaal kom je bij het begin van dat stelsel. Waternet noemt het het eerste winkanaal, gegraven in 1853. Het water werd hier uit de duinen verzameld; de Oranjekom vormde het lage verzamelpunt. Het kanaal naast het wandelpad was daarmee een onderdeel van een voorziening waarop mensen kilometers verderop hun dagelijks bestaan gingen inrichten.

De verkoop begon op 12 december 1853 bij de Willemspoort in Amsterdam. Een advertentie bepaalde de spelregels: een cent per emmer, hoogstens twee emmers tegelijk, verkoop tussen acht uur ’s morgens en vier uur ’s middags. Geld wisselen deed men niet. Het Rijksmuseum bewaart een herdenkingsfles uit 1975 waarop die advertentie is afgedrukt. De kleine regels maken duidelijk hoeveel handelingen er tussen schoon water en een gevulde emmer zaten.

Vanaf mei 1854 konden bewoners een abonnement nemen. De vraag werd zo groot dat al snel uitbreiding nodig was. Toch verliep de levering niet tot ieders tevredenheid. Het stadsbestuur probeerde met de particuliere maatschappij verbetering af te spreken, met weinig resultaat. In 1896 koos Amsterdam voor gemeentelijke exploitatie. Drinkwater was inmiddels een stedelijke verantwoordelijkheid geworden die men zelf wilde organiseren.

Ook hier in de duinen had het succes gevolgen. In 1898 werd de Oranjekom verdiept bij verbeteringen aan de waterleiding. Daardoor kreeg de beek bij Leiduin onvoldoende water. Voor de grondeigenaren ernaast dreigde de irrigatie van hun landerijen in gevaar te komen. Zij waren van het beekwater afhankelijk.

Er kwam een pompstation, betaald door Amsterdam, dat water uit de Leidse Vaart omhoogbracht. Ook onderhoud en bemaling betaalde de gemeente. In 1901 wilde zij deze verplichtingen overdragen aan een waterschap. Dat werd Mariënduin, met een reglement uit 1903. De waterleiding had een nieuwe waterbeheerder helpen voortbrengen.

De verdeelvijver op de wandeling toont een volgende verandering. Tegenwoordig wordt voorgezuiverd rivierwater naar het duin aangevoerd. Onder grote deksels langs de route liggen leidingen die het vanaf Nieuwegein brengen. Vanuit de vijver stroomt het verder naar het infiltratiegebied. De beluchtingstrap onderweg voegt zuurstof toe. Aan de kanalen is dus niet af te lezen dat het water elders aan zijn reis begon.

Het rivierwater zakt de duinbodem in en verblijft daar ongeveer negentig dagen. Zandlagen, lucht en tijd helpen het zuiveren. Daarna volgt nog behandeling op Leiduin voordat het drinkwater is. Bij terugkomst liggen de oude pompen en de huidige installatie aan dezelfde Oranjekom. Een emmer voor een cent werd een netwerk van rivier, duin en stad, waarin iedere uitbreiding ook gevolgen heeft voor wie aan het water woont.