Het bos dat het zand moest tegenhouden
Tussen de dennen van Westerschouwen lijkt het stuivende duin ver weg. Toch staan die bomen er dankzij mensen die het zand wilden bedwingen. Achter het bos ligt een geschiedenis van verdwenen handel, duizenden jonge boompjes en een onverwachte ommekeer in de strijd tegen begroeiing.
Liever luisteren?
Luister naar de vertelling, of lees hieronder verder.
Waar het bos ophoudt en de Meeuwenduinen beginnen, verandert het uitzicht ingrijpend. Achter je staan de dennen; voor je ligt open zand. Het Boswachterspad brengt beide werelden bij elkaar. Die grens is ook het resultaat van menselijk werk. Aan de ene kant werd het duin vastgelegd, terwijl aan de andere kant een deel van het zand nooit volledig tot stilstand kwam.
Zand was voor de bewoners van deze kust geen onschuldig decor. Het oude Westenschouwen had een haven waar vissers hun haring aan land brachten en kooplieden goederen verhandelden. In de vijftiende eeuw waren er verbindingen met Engelse havens. Na het haringseizoen werd verder gehandeld. Een veilige toegang vanaf zee betekende inkomsten voor mensen die hier woonden, voeren, losten en hun waren verkochten.
Juist die toegang verdween. Rond 1500 verzandde de haven; zand dat door kustverlies elders was vrijgekomen, kwam in de monding terecht. Kooplieden trokken naar Zierikzee. Ook stuivend zand maakte wonen en werken moeilijker. De havenbuurt raakte verlaten. Het is verleidelijk dit als één rampzalige nacht te vertellen, maar de ondergang voltrok zich door een opeenstapeling van veranderingen die de bestaansbasis van het dorp wegnamen.
De overlevering maakte daar een ander verhaal van. Volgens de plaatselijke meerminsage vingen vissers een zeemeermin en weigerden ze haar vrij te laten. Haar man vervloekte daarop de haven met zand en wier. Het is een sage, geen verklaring uit de geschiedschrijving. Wel gaf ze het verlies een menselijk drama: de welvaart zou bezweken zijn aan de hoogmoed van degenen die ervan leefden.
Eeuwen later moest aan deze kust opnieuw een bestaansbasis worden beschermd. Boeren klaagden over oprukkend zand op hun land. In 1918 besloot de rijksoverheid de duinen vast te leggen en daarna te bebossen. Werkloosheid en de toekomstige houtopbrengst telden mee. De Dienst der Domeinen leidde het werk. Wat nu als vanzelfsprekend bos oogt, begon dus als een bestuurlijk antwoord op grondverlies en economische problemen.
In 1922 werd J.J. Steur opziener van de rijksduinen. Onder zijn leiding kwam een kweektuin voor dennetjes; in februari en maart 1923 werden de eerste geplant. Arbeiders plaatsten windschermen, plantten helm en beschermden de jonge bomen met ingegraven gaas tegen konijnen. Zelfs de werkwegen kregen bochten, zodat ze geen banen werden waarlangs het zand opnieuw kon uitstuiven. Een bos aanleggen betekende hier veel meer dan bomen in de grond zetten.
De dennen bleven, maar het idee van het ideale bos veranderde. De Boswachterij bestond aanvankelijk uit naaldhout. Sinds de jaren zeventig worden delen omgevormd tot loofbos. De bomen die het landschap moesten vastzetten, vormen daardoor geen eindpunt van het werk. Nieuwe generaties beheerders kiezen opnieuw welke begroeiing ruimte krijgt. De groene wereld naast het pad is evenmin onveranderlijk als het zand aan de overkant.
Dat open zand heeft bovendien een eigen geschiedenis. Tussen de zeventiende en negentiende eeuw werden de hoge Meeuwenduinen gevormd door nieuwe verstuivingen. Ten noorden van het bos bleef een deel daarvan onvastgelegd. Daarom hoeft de overgang van bos naar duin geen beschadigde plek te betekenen waar de aanplant is mislukt. Je loopt tussen landschappen waarvan de ontwikkeling verschillend is verlopen, met verschillende gevolgen voor de planten en dieren.
Later werd op sommige plekken juist te veel begroeiing het probleem. In de duinvalleien bij de Adriaan van der Weijdeweg meldde Staatsbosbeheer in 2017 dat planten en bomen de open ruimte hadden overgenomen. Stikstof droeg bij aan die groei. Ook waren veel konijnen verdwenen. Met hun vraat en graafwerk hadden die dieren het zand steeds kleine open plekken bezorgd. Wat mensen ooit uit de aanplant wilden weren, werd hier als landschapswerker gemist.
Nu gingen machines aan het werk om begroeiing en een bovenlaag grond te verwijderen. Kaal zand moest weer kansen geven aan onder meer het duinviooltje en zandbijen. Hooglanders en paarden kregen de taak de herstelde valleien opener te houden. De beheerders ruimden dus op wat hun voorgangers vaak juist hadden geprobeerd te laten groeien. Het doel was ruimte voor een ander soort rijkdom dan hout: de bijzondere bewoners van het duin.
Tussen de oude dennen en de open Meeuwenduinen loopt daardoor geen eenvoudige grens tussen mensenwerk en natuur. Hier staat het resultaat van een plantcampagne; daar ligt zand dat bleef bewegen. De verdwenen haven gaf aanleiding tot een verhaal over een vloek. In het bos en langs de kale duinen is een andere omgang met dezelfde onrust te volgen: eerst het zand stoppen, later zorgvuldig bepalen waar het weer mag gaan.