Jouw Verhalenkaart
Sfeerillustratie uit de JVK-beeldbibliotheek; geen historische opname van deze gebeurtenis.
Sfeerillustratie uit de JVK-beeldbibliotheek; geen historische opname van deze gebeurtenis. JVK-beeldbibliotheek · sfeerillustratie.
Uitgelicht verhaal

Een lange laan, een rentmeester en drie paarden uit Polen

Achter de Ennemaborg loopt een laan zo ver door dat het huis steeds kleiner wordt. Ooit moest deze grond aanzien en inkomsten opleveren. Langs hetzelfde pad ontdek je hoe een succesvolle rentmeester, een vervallen landgoed en een experiment met drie paarden het landschap een andere toekomst gaven.

Liever luisteren?

Luister naar de vertelling, of lees hieronder verder.

Het verhaal

Achter de Ennemaborg verdwijnt de middenlaan tussen de bomen. Ze is uitzonderlijk lang voor zo’n smal landgoed: geen toevallig bospad, maar de as waarop het bezit werd ingericht. Rond het huis liggen water, oude bomen en resten van verschillende tuinstijlen. Verderop wordt de begroeiing ruiger. Dat verschil is de inzet van een geschiedenis waarin hetzelfde land achtereenvolgens indruk moest maken, geld moest verdienen en natuur moest voortbrengen.

Wie vanaf de Hoofdweg aankomt, ziet bovendien een huis dat zijn oriëntatie heeft veranderd. Wat nu de achterzijde heet, was ooit de voorkant. De lange laan leidde naar de borg en liet bezoekers ervaren hoeveel grond de eigenaar bezat. Het Groninger Landschap beschrijft een oprijlaan van drie kilometer. Een bezoek begon dus al ruim voordat men bij de voordeur stond.

Aan het einde van de zeventiende eeuw wilden Anna Maria Clinge en Wilhelmus Hora hier wonen zoals de Ommelander jonkers. Het oude gebouw werd ingrijpend vervangen door een voornaam huis. Omringend land werd aangekocht en de tuin kreeg een barokke aanleg. Hun ambities waren leesbaar in baksteen en rechte lijnen: de buitenplaats moest de maatschappelijke positie van de bewoners zichtbaar maken.

Die aanleg is niet als één onveranderlijk ontwerp bewaard gebleven. Rond het huis zijn zowel geometrische vormen als latere landschappelijke elementen herkenbaar. De ronde vijver ligt in de hoofdas; elders verraden monumentale bomen en een steile begroeide heuvel een andere tuinsmaak. In het Rijksmonumentenregister vormen juist die naast elkaar bestaande lagen een belangrijk kenmerk. Wandelen betekende hier steeds iets zorgvuldig gerangschikts bekijken.

Maar een mooie buitenplaats vroeg ook inkomsten. In 1817 kwam het landgoed op een veiling terecht. Twee Friese beleggers, Isaac Telting en Johannes Petrus van Beijma, kochten het. Zij gingen er niet zelf wonen en lieten het bezit door rentmeesters beheren. Turf uit de venen en hout uit de bossen moesten opbrengsten leveren. De grond achter het deftige huis werd een onderneming.

Een van die beheerders was Oeds Oedses de Leeuw. Hij kreeg naast salaris een deel van de winst. Daarmee had de rentmeester zelf belang bij een goed resultaat. Volgens de officiële landgoedroute stegen de inkomsten onder zijn leiding sterk en werd hij welvarend. De rechte bomenrijen vormden een voorraad voor de toekomst.

Uiteindelijk liep de vervening ten einde en werd er minder hout verkocht. Borg en landgoed raakten sterk verwaarloosd. In 1965 nam Het Groninger Landschap het bezit over. De nieuwe eigenaar restaureerde het huis en herstelde het park grotendeels in barokke vorm. Achter de verzorgde tuin kreeg het bos een andere opdracht. Het hoefde voortaan niet uitsluitend een houtvoorraad te zijn.

Eind 1981 arriveerden daar drie paarden uit Polen: hengst Nagar en de drachtige merries Ozanka en Jota. Stichting Tarpan stelde deze koniks beschikbaar voor bosbegrazing. Hun komst was een proef met natuurbeheer. De dieren zouden het hele jaar buiten blijven en door hun grazen invloed krijgen op de ontwikkeling van het terrein. Waar eerder bomen voor verkoop werden geselecteerd, ging nu het gedrag van een kudde meetellen.

De eerste tien jaar lieten tegelijk zien dat minder sturen geen eenvoudig recept was. De kudde groeide voorspoedig, de begrazingsdruk nam toe en in het vroege voorjaar verminderde de conditie van de paarden. Beheerders besloten jonge dieren naar andere begrazingsgebieden te verplaatsen. Het experiment vergde waarnemen en bijsturen. Ook een natuurlijker bos ontstond hier door menselijke keuzes, inclusief keuzes over het welzijn van de dieren.

Bij de natuurplas is nog een andere ingreep zichtbaar. Daar werd de vruchtbare bovenlaag weggehaald, zodat een armere bodem ontstond en andere planten kansen kregen. Het land dat vroeger zo veel mogelijk moest opleveren, werd hier juist plaatselijk van zijn voedselrijke laag ontdaan. Een paar stappen verder kijken betekent daardoor soms een ander beheerdoel herkennen.

Langs de oostkant van het landgoed kwam die spanning tussen inkomsten en natuur opnieuw op tafel. Op de Midwolder Bouwten werkten boeren en onderzoekers tot 2025 aan een landbouwproef. Ze varieerden gewassen, gebruikten minder bestrijdingsmiddelen, legden bloemrijke akkerranden aan en onderzochten andere vormen van grondbewerking. Ditmaal was de vraag niet of het hele land natuur moest worden, maar wat een werkende akker voor natuur kon betekenen.

De uitkomsten waren geen moeiteloos succesverhaal. De soortenrijkdom van loopkevers veranderde gunstig, terwijl akkervogels niet duidelijk talrijker werden. Opbrengsten vielen doorgaans lager uit en een besparing op kosten kon niet worden aangetoond. Daarmee kwam opnieuw een oude vraag van deze buitenplaats boven: wat mag de grond opleveren, en voor wie? De proef gaf aanwijzingen, geen pasklare uitweg uit dat spanningsveld.

Op de terugweg staat de borg weer aan het einde van de middenlaan. De rechte lijn is gebleven, maar de bedoelingen langs die lijn zijn verschoven. Ze liep naar een huis dat aanzien moest uitstralen, door een bos dat inkomsten leverde en langs terreinen waar paarden en onderzoekers nieuwe mogelijkheden kregen. Het is verleidelijk alleen het statige gebouw te onthouden. De lange aanloop vertelt minstens zo veel.