De heide die bleef, de herders die kwamen en gingen
Bij de schaapskooi begint een wandeling over grond die veel mensen nodig hadden: boeren voor hun mest, reizigers voor hun doorgang en soldaten voor hun oefeningen. Een oude herdersnaam en de brede karrensporen leiden naar de vraag waarom juist dit stuk heide open bleef.
Liever luisteren?
Luister naar de vertelling, of lees hieronder verder.
Bij de schaapskooi aan de Crabbeweg ligt het Ballooërveld nog voor je. De grote open ruimte lijkt het tegendeel van een werkplek. Toch dankt dit veld zijn uiterlijk aan generaties die er iets moesten doen. Schapen eten, wielen snijden sporen en mensen steken de grond open. Het zandpad loopt door de resten van hun bezigheden; de kooi aan het begin hoort bij hetzelfde verhaal.
Zelfs de straatnaam heeft een mens bewaard. De familie Crabbe bezat een erf aan de oostkant van Balloo. Berent Crabbe, die halverwege de zeventiende eeuw leefde, is volgens de Knapzakroute de eerste Ballooër herder die we bij naam kennen. Hij staat niet als standbeeld langs het pad. Zijn familienaam bleef verbonden met de weg waar de schaapskooi nu aan ligt.
De schapen waren eigendom van afzonderlijke boeren, maar hun weidegang werd samen georganiseerd. Ook de scheper werd gezamenlijk betaald. De open grond vormde een belangrijk onderdeel van het boerenbedrijf, juist doordat ze andere dingen leverde dan de akkers bij het dorp. De kudde verbond die verschillende stukken land.
In de potstal werd schapenmest verzameld met strooisel, waaronder heideplaggen. Dat mengsel hielp de akkers voeden. Maar het gebruik had grenzen: door intensief grazen en plaggen werd het veld kaler. Waar ook de heide verdween, kon het zand gaan stuiven. De grond die mest hielp leveren, raakte zelf steeds verder uitgeput.
Terwijl boeren het veld voor hun bedrijf gebruikten, trokken anderen er dwars doorheen. De oude verbinding tussen Groningen en Coevorden liep via Gasteren en Rolde. De toren van Rolde diende als baken. Een doorgaande weg hoefde hier geen enkele smalle baan te zijn. Wie met een kar over de heide reisde, koos grond die de wielen nog kon dragen.
Raakte een spoor te diep uitgesleten of kwam een wagen vast te zitten, dan ging de volgende kar ernaast rijden. Zo ontstonden brede bundels evenwijdige geulen. Het Nationaal Park beschrijft ook de doorwaadbare plaats in het Gasterensche Diep waarmee reizigers het veld bereikten. De reliëflijnen in het zand vertellen daardoor een heel praktisch verhaal: doorgaan, uitwijken en opnieuw een begaanbare strook zoeken.
Niet iedere verhoging hoort bij dat verkeer. Over het veld liggen grafheuvels uit de prehistorie, uit een tijd waarin hier ook werd gewoond en geakkerd. Zij maken duidelijk dat de huidige heide niet de enige toestand van deze grond is geweest. Het uitzicht vanaf de Galgenberg, die de wandelroute aandoet, brengt verschillende tijdlagen dicht bij elkaar: oude begraafplaatsen en veel jongere karrensporen liggen in hetzelfde open terrein.
In 1919 raakten de boeren van Balloo een groot deel van hun veld kwijt. Het ministerie van Oorlog onteigende ongeveer 360 hectare om de in Assen gelegerde troepen te laten oefenen. Dat was een ingrijpende verandering van gebruik. Ze had ook een onverwacht gevolg: dit deel van de heide bleef grotendeels buiten de ontginningen die elders met ploegen en grondverbetering het landschap veranderden.
De tankgracht bewaart een donkerder vorm van arbeid. Vanaf het najaar van 1944 moesten Nederlandse dwangarbeiders onder de Organisation Todt aan een Duitse verdedigingslinie werken, ook op het Ballooërveld. In het veld dat boeren en reizigers voor hun bestaan nodig hadden, werd nu onder dwang grond verzet voor oorlog.
Het leger liet ook langwerpige bosjes aanplanten voor oefeningen. Ze verdeelden de open ruimte in afzonderlijke kamers. Toen Staatsbosbeheer het beheer overnam, ontstond daarom een nieuwe keuze: welke sporen moesten blijven en welk uitzicht wilde men herstellen? Een deel van de defensiebosjes werd gekapt. In april 2014 waren de werkzaamheden afgerond; grafheuvels, karrensporen en de samenhang van het veld waren weer beter te overzien.
De terugkeer van een kudde begon al eerder. Herder Albert Koopman stichtte in 1981 opnieuw een schaapskudde op het Ballooërveld. Daarmee kwam een oude manier van werken terug, met een andere opdracht. De schapen waren niet meer vooral een schakel tussen heide en bemeste graanakker. Hun begrazing hielp nu de open heide in stand te houden.
Ook dat werk blijft afhankelijk van mensen. Albert en Marianne namen in juni 2025 afscheid en hun schapen verhuisden. De huidige vriendenstichting meldt dat de herders van Het Stroomdal het veld in opdracht van Staatsbosbeheer beheren. De naam op het gebouw en het oude beroep kunnen blijven, terwijl de uitvoerders wisselen. De kudde van vandaag is geen stilgezet beeld van Berent Crabbe, maar dagelijks georganiseerd natuurbeheer.
Terug bij de kooi krijgt de open ruimte een andere betekenis. Ze is niet leeg gebleven doordat iedereen haar met rust liet. Boeren gebruikten haar, reizigers sleten haar uit, militairen namen haar over en beheerders kozen later opnieuw wat zichtbaar moest blijven. Het pad tussen die sporen wordt nu door wandelaars gebruikt. Dat is weer een bestemming, boven op alle eerdere, terwijl de herder zijn werk voortzet.