Volendam: het dorp van de dichtgemaakte havenmond
Volendam heet naar een volle, dus gesloten dam in de oude verbinding van Edam met de Zuiderzee. Het veulen uit het dorpswapen leverde later een heel ander verhaal op.
Liever luisteren?
Luister naar de vertelling, of lees hieronder verder.
Volendam heet naar een volle dam: een gesloten doorgang in de oude waterverbinding tussen Edam en de Zuiderzee. De naam van het latere vissersdorp herinnert daarmee aan het beëindigen van een vaarroute.
Die route liep door de IJe, ook wel Ee genoemd. Het veenriviertje passeerde Edam en bereikte de zee bij het latere Volendam. Voor Edamse schepen was dat geen gemakkelijke toegang. De bochtige verbinding was lang en smal; schepen konden met paarden worden voortgetrokken. Een havenstad had belang bij een kortere weg naar open water.
In 1357 kreeg Edam zo’n nieuwe verbinding in oostelijke richting, via de Voorhaven naar het Oorgat. Daarmee verloor de zuidelijke riviermond haar oude functie voor de scheepvaart. De monding kon worden afgesloten. Over de precieze datering van die definitieve sluiting verschillen de historische beschrijvingen, maar het verband tussen de nieuwe havenroute en de volle dam is duidelijk.
De naam benoemde zo een afgesloten riviermond. Dat verschil was voor de bewoners wezenlijk: de IJe diende hier niet meer als vrije scheepvaartverbinding. Een ingreep in de zeewering werd de naam van de bewoning ernaast.
Rond de dijk groeide de nederzetting. De vorm van het oude dorp verraadt die oorsprong nog: een langgerekte strook bebouwing aan De Dijk, met daarachter onder meer de Meerzijde, het Dril en de Havenstraat. Dat patroon ontstond doordat de bewoners zich aan de afsluitende dijk vestigden. Het waterwerk werd tegelijk een plaats om te wonen.
Niet alle bebouwing paste uiteindelijk in dat smalle lint. Achter de dijk lag het Landje, waar omstreeks 1850 negentien huizen met flinke erven stonden. Door gebrek aan bouwruimte werd het terrein steeds dichter bebouwd. In 1870 waren er al vierentachtig, meestal kleine huizen. Het onregelmatige straatjesnet kreeg in 1912 de veelzeggende naam Doolhof.
Volendam heeft bovendien een ander naamverhaal, met een heel andere hoofdrolspeler. Op het onofficiële dorpswapen staat een veulen met een platvis bij zijn voorbeen. Het dier verbeeldt de veeteelt en de vis verwijst naar de visserij. Het wapen was al in 1658 in gebruik, lang voordat een schrijver er een uitvoerige sage bij vertelde.
Die schrijver, W.J. Tuyn, publiceerde het verhaal in 1892. In zijn sage sluit een meisje vriendschap met een veulen uit zee en verdwijnt uiteindelijk met het dier in de golven. Zoekende dorpelingen halen vervolgens vis op, wat hun overgang van boeren naar vissers moet verklaren. Het is een overgeleverd volksverhaal, geen verslag van het ontstaan van het dorp.
Het veulen maakte een uitleg als Veulendam aantrekkelijk, maar het dorpswapen levert geen bewijs voor die naamafleiding. De gesloten dam verklaart de naam vanuit de plaatselijke watergeschiedenis. De sage vertelt juist hoe latere generaties de twee bestaansmiddelen op hun wapen met elkaar verbonden: vee op het land en vis uit de zee.
Vanaf het begin van de twintigste eeuw breidde Volendam zich verder achter het dijklint uit. De oude smalle nederzetting kreeg zo een compactere vorm, met straten die op de dijk uitkomen. De naam bleef het beginpunt aanwijzen: niet het hele latere dorp, maar de plek waar de oude havenmond werd dichtgemaakt en bewoning langs de zeewering groeide.