Oldenzaal: een oude zaal, een middeleeuws zegel en witte kool
Zaal betekende ooit een woning, niet alleen een vertrek. Die oude betekenis schuilt in Oldenzaal. Een veel jongere bijnaam vertelt vervolgens over de kool die de inwoners verbouwden.
Liever luisteren?
Luister naar de vertelling, of lees hieronder verder.
Oldenzaal lijkt zichzelf uit te leggen: een oude zaal. Dat klopt in grote lijnen, zolang we niet meteen aan een feestzaal denken. Het woord kon vroeger een woning of een gebouw met één grote ruimte aanduiden. De plaatsnaam bewaart een oudere betekenis van een gewoon Nederlands woord.
In het Middelnederlands kon sale een woning, zaal, groot huis of paleis betekenen. Ook verwante oude talen kenden het woord voor een verblijfplaats. In plaatsnamen sleet de vorm soms af tot sele. Oude woonplaats of oude zaalwoning brengt de vroegere betekenis beter in beeld dan een moderne zaal met rijen stoelen.
De ouderdom is ook in bronnen te volgen. De plaats komt voor in de goederenlijst van de abdij Prüm uit 893, in een afschrift uit 1222. Het plaatsnamenonderzoek vermeldt daarbij Aldenselen. Die oude vorm laat de verbinding met sele duidelijker zien dan de huidige spelling. De datum van het afschrift en die van de oorspronkelijke lijst horen allebei bij het verhaal: de vermelding is oud, het bewaarde document is jonger.
Welke woning de naam opleverde, staat daarmee nog niet vast. Een zaal kon een belangrijk woongebouw zijn, maar uit het woord alleen valt geen vorst of bouwplan terug te halen. De gebouwnaam is beter onderbouwd dan het verhaal over een koning die hier regelmatig verbleef. Het huis is niet met de naam als enig bewijs aan te wijzen.
Ook op middeleeuwse zegels is de naam terug te vinden. Een stadszegel uit 1336 droeg een Latijns omschrift met aldensalense en toonde de heilige Martinus te paard. Een tegenzegel aan een charter uit 1351 bevatte aldenzelensis. De stadsnaam werd verbogen en verlatijnst: het herkenbare oude begin kreeg zo uitgangen die op de huidige plaatsnaamborden verdwenen zijn.
De plaats was inmiddels meer dan de oorspronkelijke woonplek. In 1049 verleende keizer Hendrik III het recht op een weekmarkt en een jaarmarkt. Bij het afschrift van 1222 werd Oldenzaal beschreven als een goed versterkte plaats in Twente, tussen Deventer en Münster, met een kerk en kanunniken. Het precieze moment waarop stadsrechten werden verleend is onbekend. De markt en versterkingen maken wel duidelijk dat een belangrijke regionale kern was gegroeid.
Daar kwam later een tweede, veel aardser naamverhaal naast te staan: Boeskoolstad. Boeskool is witte kool. Volgens de plaatselijke toeristische organisatie verbouwden inwoners dat gewas en verkochten ze het op markten in omliggende steden. De bijnaam verwijst dus naar werk op het land en de handel in een alledaags product. Tijdens carnaval krijgt Oldenzaal die naam nadrukkelijk opnieuw, terwijl het oude Oldenzaal op de officiële kaarten blijft staan.
Het Boeskoolmenneke werd een herkenbaar symbool van de stad. De twee namen leggen heel verschillende accenten. Oldenzaal draagt een oud woord voor wonen mee, overgeleverd in goederenlijsten en zegelomschriften; Boeskoolstad herinnert aan de teelt en verkoop van kool. Juist doordat zaal voor ons iets anders is gaan betekenen, is de oudere naam minder eenvoudig dan de bijnaam. Het vertrouwde woord opent hier de deur naar een woonwereld die grotendeels verdwenen is.