Nieuwegein: een nieuwe stad met een naam uit de middeleeuwen
Nieuwegein kreeg in 1971 een nieuwe gemeentelijke identiteit, maar de naam verwijst naar het middeleeuwse ’t Gein. Dat was op zijn beurt genoemd naar een waterloop.
Liever luisteren?
Luister naar de vertelling, of lees hieronder verder.
Nieuwegein klinkt als een naam die helemaal bij de nieuwbouw van de jaren zeventig hoort. Toch zit in dat nieuwe woord een middeleeuwse plaats verstopt. Toen Jutphaas en Vreeswijk op 1 juli 1971 samengingen, kreeg de nieuwe gemeente een naam die teruggreep op ’t Gein. De moderne stad leende haar naam dus van een veel kleinere voorganger in hetzelfde gebied.
Nog vóór die nederzetting was er het water. Volgens de Historische Kring Nieuwegein bestond hier een natuurlijk stroompje met de naam Gein. Het tracé ervan wordt gemarkeerd door de Fokkesteeg. De waternaam ging over op een woonplaats in de nabijheid. Daarmee liep de naamgeschiedenis van water naar nederzetting en, eeuwen later, van nederzetting naar nieuwe gemeente.
Het middeleeuwse ’t Gein werd belangrijk als rivierhaven voor Utrecht. Bij een dam werden schepen over een overtoom getrokken en goederen van het ene schip op het andere gezet. De bisschop hief er tol. Het plaatsje lag aan beide kanten van de Doorslag, zodat het kanaal het centrum vormde van een kleine gemeenschap die leefde van de verbinding tussen verschillende vaarwateren.
Toen de Hollandse IJssel in 1285 werd afgedamd, kwam die functie onder druk te staan. Utrecht kreeg een andere route naar de Lek, bij Vreeswijk. Toch ontving ’t Gein in 1295 stadsrechten. Het grensgebied tussen Holland en het Sticht gaf de plek strategisch belang, ook toen de economische vooruitzichten verslechterden. Een stad kon dus worden versterkt juist terwijl een deel van haar bestaansreden verdween.
De moderne naam ontstond evenmin op één plotseling moment. Een samengaan van Jutphaas en Vreeswijk was al in 1849 geopperd. In de jaren zestig kregen plannen voor een gezamenlijke woon- en werkstad vorm. Een tweede commissie die zich over de ontwikkeling boog, presenteerde zich als Werkgroep Nieuwegein. Vanaf 1966 bracht die rapporten uit onder een naam die toen al vooruitliep op de nieuwe gemeente.
In september 1966 presenteerde de provincie Nieuwegein als naam voor de toekomstige gemeente. De plaatselijke geschiedschrijving van Vreeswijk vermeldt dat andere suggesties van bestuurders en inwoners daarmee terzijde kwamen. De gekozen naam was dus geen eenvoudige optelsom van Jutphaas en Vreeswijk. Een derde, historische naam bood een gezamenlijke aanduiding voor het gebied dat samen verder moest.
Op 12 juni 1969 gingen beide gemeentebesturen akkoord met de toekomstige samenvoeging. Het definitieve structuurplan kreeg later dat jaar eveneens de naam Nieuwegein. Daarmee stond het woord al op plannen en vergaderstukken voordat de gemeente in 1971 werkelijk begon. Eerst werd een toekomstige stad getekend en benoemd; daarna zouden de twee bestaande gemeenschappen één gemeentebestuur krijgen.
Het oude Gein ligt tegenwoordig in de omgeving van Park Oudegein, tussen het gelijknamige huis en het IJsselbos. Het precieze uiterlijk van de middeleeuwse nederzetting kennen we niet. Ondergrondse resten zijn bovendien lastig te onderzoeken zonder het natuurgebied te verstoren. De historische verwijzing in de stadsnaam is daardoor veel zichtbaarder dan de verdwenen woonplaats zelf.
Ook het landgoed werd onderdeel van de nieuwe stadsgeschiedenis. In 1973 werd een groot deel van de landerijen aan Nieuwegein verkocht; de kern rond Huis Oudegein bleef familiebezit. Het huis kreeg zijn huidige hoofdvorm in 1633 op oudere fundamenten. Zo verwijzen Nieuwegein en Oudegein niet naar een nette verdeling tussen een geheel nieuw en een geheel oud gebied: hun geschiedenissen raken elkaar midden in de moderne stad.