Dordrecht: een naam voor het water waar schepen doorheen moesten
Waarschijnlijk bewaart Dordrecht de betekenis van een doorgaande vaarverbinding: een doordrecht. De oude waternaam ging over op de nederzetting aan zijn oevers.
Liever luisteren?
Luister naar de vertelling, of lees hieronder verder.
De naam Dordrecht begint bij een waterweg. In oude stukken komen vormen als Thuredrech en Thuredrith voor. Dat water gaf vervolgens zijn naam aan de nederzetting. De precieze uitleg is onderwerp van onderzoek geweest, maar een goed onderbouwde verklaring ziet in de naam iets heel praktisch: een verbinding waar schepen doorheen werden geleid.
Het eerste deel, thure, wordt daarbij verbonden met door of doorheen. Historisch geograaf J.A.J. Vervloet legt de naam uit als een water met een bijzondere doorgangsfunctie. Het bekende verhaal over een oversteekplaats in een riviertje dat afzonderlijk Thure heette, overtuigt hem niet. Zo’n zelfstandige waternaam levert volgens hem juist taalkundige problemen op.
Ook drecht vraagt om uitleg. Naamkundige W. van Osta verbond dat woord met het trekken van vaartuigen door een waterloop. Bodemkundige Leendert Pons liet zien waarom dat bij het oude landschap past. De streek bestond uit veen met smalle, kronkelende wateren. Een schip kon daar moeilijk op eigen zeil doorheen komen; trekken hielp het verder.
Pons beschreef Dordrecht daarom als een doordrecht: een verbindingswater waarlangs schepen tussen de Merwede en de Dubbel konden worden getrokken. Drecht hoeft daarmee niet hetzelfde te betekenen als het trecht van Utrecht of Maastricht. Die laatste uitgang wordt met het Latijnse trajectum verbonden. Namen die nu sterk op elkaar lijken, kunnen een verschillende voorgeschiedenis hebben.
De vroegste nederzetting lag volgens de gemeentelijke archeologen rond het jaar 1000 aan de kant van de huidige Voorstraat. Aan de overzijde lag een langgerekte zandbank tussen verschillende geulen. Het begin van Dordrecht moet je dus zoeken bij dat binnenwater en zijn oevers. De brede Oude Maas van nu geeft op zichzelf geen volledig beeld van het vroegste stadslandschap.
Vanaf ongeveer 1150 hoogden bewoners de zandbank op. Een oorkonde uit 1200 noemt Dordrecht al aan beide zijden van het water. Drie jaar later verschijnt een nieuwe dijk in de geschreven bronnen: de lijn van de huidige Groenmarkt en Wijnstraat. De waterweg die de plaats haar naam gaf, kreeg zo steeds nadrukkelijker bebouwde oevers.
Dat uitbreiden vergde meer dan huizen neerzetten. Achter grote panden maakten de Dordtenaren nieuwe stukken bouwgrond in de natte oeverzone. Ze timmerden stevige houten bakken en vulden die met grond, mest en stadsafval. Zulke aanplempingen maken tastbaar hoe de stad groeide: het beschikbare land werd stukje bij beetje vergroot langs het water.
De vaarverbinding werd vervolgens een bron van inkomsten en macht. De Hollandse graaf liet tol heffen bij het knooppunt van waterwegen. Het stapelrecht van 1299 versterkte de positie van Dordrecht als handelsstad: passerende goederen moesten eerst op de plaatselijke markt worden aangeboden. Een doorgang was daarmee ook een plek geworden waar een schipper niet zomaar voorbij kon varen.
In de vijftiende eeuw veranderden de overstromingen rond de Sint-Elisabethsvloed het landschap opnieuw ingrijpend. Het achterland verdronk en de stad raakte omringd door water. Dat maakte omvaren gemakkelijker en schaadde haar handelspositie. De naam bleef intussen bestaan, terwijl de vaarwegen en de mogelijkheden om Dordrecht te passeren opnieuw veranderden. In dat ene woord zit een veel smaller en ouder waterlandschap verscholen.