De appelbomen die in Apeldoorn verborgen raakten
Achter Apeldoorn gaat een oud woord voor appelbomen schuil. Een kloosterakte, een veranderde uitgang en een verdwenen dorpskerk maken die lange naamgeschiedenis zichtbaar.
Liever luisteren?
Luister naar de vertelling, of lees hieronder verder.
Apeldoorn heeft een vruchtbare naam: er zitten appelbomen in verstopt. Dat is door de huidige spelling moeilijk te horen. Het Oudnederlands Woordenboek verbindt de plaatsnaam met apuldra, een oud woord voor een fruitboom, hier opgevat als appelboom. De naam betekent dus ongeveer: bij de appelbomen. Welke bomen de eerste naamgevers precies bedoelden, weten we niet.
Apul betekende appel; het achtervoegsel dra vormde een boomnaam. De plaatsnaam gaat volgens het woordenboek terug op een verbogen meervoud dat een locatie aanduidde. Het woord zei daardoor waar iets lag: daar, bij die appelbomen.
Later werd het oude boomwoord minder herkenbaar. Het laatste deel van de plaatsnaam is vervolgens als doorn opgevat. Zo kwam er in de naam een vertrouwd woord terecht, terwijl de oorspronkelijke betekenis vervaagde.
Naamkundige Riemer Reinsma wijst op een tussenstadium dat dichter bij de oude betekenis staat: in de dertiende eeuw kwam Apeldern voor. Een apelder was een appelboom. Leg die vorm naast Apeldoorn en het wordt makkelijker te begrijpen hoe het fruit uit het gehoor kon verdwijnen, terwijl de naam gewoon in gebruik bleef.
De oudste schriftelijke vermelding heeft een heel andere aanleiding dan fruitteelt. In 792 of 793 schonken Walther en Richlint bezittingen op de Veluwe aan de abdij van Lorsch, in het huidige Hessen. Bij de omschrijving van dat bezit staat Appoldro. Ook Uddel wordt in deze schenking genoemd, onder de naam Uttiloch.
De bewaarde tekst is een afschrift uit de twaalfde eeuw. Dat verschil tussen de datum van de schenking en de ouderdom van het afschrift hoort bij het verhaal. Er staat bovendien bezit beschreven: delen van een hoeve in een dorp of gebied. Daarmee hebben we een vroege naamvermelding, geen verslag van het planten van de eerste appelboom of het stichten van Apeldoorn.
Eeuwen later kreeg de oude naam een zichtbaar middelpunt rond de Mariakerk. Vanaf omstreeks 1200 stond die op het huidige Raadhuisplein. De kerk diende voor erediensten, maar ook voor andere bijeenkomsten. Vertegenwoordigers van Gelderse Hanzesteden kwamen er bijvoorbeeld bijeen om handelszaken te bespreken. Onderin de toren konden gevangenen tijdelijk worden opgesloten.
Een lezenaar uit die kerk laat zien dat ook de spelling bleef bewegen. Daarop staat in 1700 Apelthorn, samen met het wapen van Apeldoorn. Dat kleine voorwerp brengt de naam tussen het perkament van de vroege middeleeuwen en de huidige straatborden. De nederzetting was veranderd, de schrijfwijze eveneens, maar de oude naam bleef herkenbaar genoeg om mee te reizen.
In 1842 werd de bouwvallige Mariakerk afgebroken. Op haar plek kwamen een marktplein en een raadhuis; de nieuwe kerk verrees dichter bij Het Loo. Wie nu op het Raadhuisplein staat, bevindt zich dus op een verdwenen dorpsmiddelpunt. De appelbomen waarnaar Apeldoorn waarschijnlijk werd genoemd zijn niet meer aan te wijzen, maar hun oude woord staat nog op de kaart.